Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA1904

Datum uitspraak2007-02-27
Datum gepubliceerd2007-03-29
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200601330 & R200601331
Statusgepubliceerd


Indicatie

Termijn uithuisplaatsing van zes maanden moet volgens kinderrechter benut worden door gezinsvoogd om zicht te krijgen op mogelijkheden van moeder om kinderen weer zelf te verzorgen en op te voeden. Onvoldoende uitvoering gegeven door de stichting aan deze opdracht


Uitspraak

RD 27 februari 2007 Sector civiel recht Rekestnummers R200601330 en R200601331 Zaaknummers eerste aanleg 112609 / OT RK 06-1157 en 112613 / OT RK 06-1158 GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de moeder, procureur: mr. G.H.M. van Laarhoven, t e g e n Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, geïntimeerde, hierna te noemen: de raad. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 19 september 2006, onder zaaknummers 112609 / OT RK 06-1157 en 112613 / OT RK 06-1158, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 november 2006, heeft de moeder verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen [A.] en [B.] dient te worden afgewezen. 2.2. Gezien de verknochtheid van voormelde onder de nummers R200601330 en R200601331 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof voeging daarvan gelast, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en opdat er gezamenlijk op wordt beslist. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - mr. Bovenkamp, advocaat van de moeder; - de raad, vertegenwoordigd door mevrouw mr. Pijls; - Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen: de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw Smeets en mevrouw Cuijpers. Moeder was wegens ziekte verhinderd om de mondelinge behandeling bij te wonen. 2.4. Op 14 februari 2007 is de mondelinge behandeling voortgezet. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Bovenkamp; - de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw Cuijpers; - de raad, vertegenwoordigd door mevrouw mr. Pijls; [B.] en [A.] zijn door het hof in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben gebruik gemaakt van deze gelegenheid door een brief te schrijven, welke (ongedateerde) brieven zijn ingekomen ter griffie op 12 februari 2007 en waarvan het hof heeft kennis genomen. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 september 2006; - een brief van de stichting d.d. 12 december 2006, met bijlagen; - een brief van de stichting d.d. 25 januari 2007, met als bijlage een ongedateerde brief van [A.]; - een brief van de advocaat van de moeder d.d. 8 februari 2007, met als bijlage een brief van de stichting d.d. 7 februari 2007; - een brief van de stichting d.d. 8 februari 2007. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Uit een relatie tussen de moeder en de heer [C.] (achternaam onbekend) is op [geboortejaar] te [geboorteplaats], Brazilië, [A.] geboren. Uit een relatie tussen de moeder en de heer [D.] is op [geboortejaar] te [geboorteplaats], Brazilië, [B.] geboren. De ouders zijn nooit getrouwd geweest. De heer [D.] heeft, volgens de moeder, naar Braziliaans recht het zorgrecht over [B.]. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [A.] en [B.]. 4.2. Naar het oordeel van het hof kan uit de inhoud het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 25 juli 2006 worden geconcludeerd, dat [A.] en [B.] ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd, vooral door de vele wisselende verblijfplaatsen van moeder en haar persoonlijke problemen. Tegenover de raad hebben de kinderen duidelijk aangegeven daar veel last van te hebben. Ook klagen de kinderen, dat zij door een vroegere vriend van moeder met de riem zijn geslagen. In de brieven, die de beide kinderen naar het hof hebben gestuurd, wordt gesproken over situaties, waarbij de kinderen getuige zijn geweest van geweld. Ofschoon de kinderen en dan met name de jongste zoon moeder (erg) missen, geven zij schriftelijk aan graag in het pleeggezin te willen verblijven en niet terug te willen keren naar hun moeder. Anders dan de moeder van mening is, is wel degelijk een traject van vrijwillige hulpverlening ingezet. De raad meldt hierover, dat op 5 april 2006 een zorgmelding van de politie de stichting heeft bereikt. Daarop zijn twee huisbezoeken gevolgd en verschillende telefonische contacten met moeder, de kinderen en de familie [E.], het huidige pleeggezin. De stichting heeft op 19 mei 2006 verwezen naar de raad, omdat moeder met de stichting geen afspraken wil maken en slechts met de familie [E.] tot regelingen voor de kinderen wil komen. 4.3. De kinderrechter heeft bij de bestreden beschikking overwogen, dat het verzorgen en opvoeden van kinderen meer stabiliteit, continuïteit, regelmaat en impulsbeheersing vraagt dan moeder thans kan opbrengen. Voordat de kinderen weer teruggeplaatst kunnen worden, moet er eerst duidelijk sprake zijn van een klimaat waarin kinderen veilig, gestructureerd kunnen opgroeien en waar tevens op hun behoeften ingespeeld kan worden. Moeder wil volgens haar eigen zeggen in de gelegenheid worden gesteld om aan te tonen dat zij dat kan. De kinderrechter heeft vervolgens de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de termijn van een jaar en een machtiging uithuisplaatsing verleend voor de termijn van zes maanden. Volgens de kinderrechter dient die termijn te worden benut door de gezinsvoogd om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden van moeder om de kinderen weer zelf te verzorgen en op te voeden conform al hun behoeften. 4.4. Naar het oordeel van het hof is door de stichting onvoldoende uitvoering gegeven aan dit programma. Uit de mondelinge behandeling van 17 januari 2007 en 14 februari 2007 kan worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van een zeer beperkt contact tussen moeder en de contactpersoon van de stichting mevrouw Smeets. In de gehele periode vanaf de aanvang van de ondertoezicht-stelling tot op heden zijn er twee huisbezoeken bij moeder door voornoemde contactpersoon gerealiseerd. Duidelijk is, dat de moeder het vanaf de aanvang af oneens is (geweest) met de uithuisplaatsing van haar kinderen. Tot de professionele attitude van de gezinsvoogdijwerker behoort, dat, ondanks het (aanvankelijke) verzet van moeder, een daadwerkelijke inspanning wordt gepleegd om met moeder in gesprek te gaan en te blijven en haar te overtuigen van het belang van haar daadwerkelijke medewerking. Er dient immers een situatie te worden bereikt, waarin met uitzicht op een thuisplaatsing van de kinderen kan worden gestart met het door de kinderrechter aangegeven programma. 4.5. Vaststaat dat de verhouding tussen moeder en de contactpersoon van de stichting is gepolariseerd, waarbij beide partijen klagen over de moeilijke bereikbaarheid én van moeder én van de contactpersoon van de stichting. De stichting heeft in die situatie vooral bescherming willen bieden aan de kinderen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep op 17 januari 2007, waarbij moeder door ziekte afwezig was, heeft het hof de advocaat van moeder en de contactpersoon van de stichting verzocht om met moeder om de tafel te gaan zitten teneinde de communicatie vlot te trekken. Uit de brief van de advocaat van moeder d.d. 8 februari 2007 blijkt, dat het zeer problematisch was om met voormelde contactpersoon een afspraak te maken en dat een uiteindelijk op 5 februari 2007 gemaakte afspraak door deze op het laatste moment werd afgezegd. Daarentegen werd door de contactpersoon van de stichting op 7 februari 2007 aan de advocaat van moeder een brief gezonden, kennelijk inhoudende een schriftelijke aanwijzing aan de moeder, dat in het belang van de kinderen de bezoekregeling van twee keer naar één keer per maand werd teruggebracht, waarbij begeleiding plaatsvindt door de stichting. Deze brief maakt overigens geen melding van het feit, dat het om een schriftelijke aanwijzing gaat, terwijl in die brief evenmin melding wordt gemaakt van de mogelijkheid van bezwaar. Ter zitting in hoger beroep heeft moeder nogmaals aangegeven dat zij bereid is tot medewerking, doch dat niet duidelijk is wat van haar wordt verlangd en dat contact met de stichting en de kinderen nauwelijks mogelijk is. 4.6. Het hof heeft bij gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling van 14 februari 2007 reeds op de zitting te kennen gegeven, hoe zeer het de onderhavige gang van zaken betreurt. Naar het oordeel van het hof heeft het met name ontbroken aan een heldere uiteenzetting van de stichting naar moeder toe over wat van haar wordt verwacht, welke hulpverlening eventueel door haar dient te worden ingezet, wat de gevolgen zijn van het niet-verlenen van medewerking en welke inzet de stichting heeft om zoveel als mogelijk is met moeder op één lijn te komen en haar daarin te begeleiden. 4.7. Gelet op het belang van de kinderen en op de door hen (schriftelijk) kenbaar gemaakte mening, kan het hof de machtiging tot uithuisplaatsing thans niet vernietigen. Het vorenstaande laat onverlet, dat van een professioneel werkende stichting mag worden verwacht, dat zij thans alles in het werk stelt om verbetering te brengen in een situatie, waarin de moeder ieder gezag over de kinderen dreigt te verliezen. 5. De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 19 september 2006, met aanvulling van gronden. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Draijer-Udo en Philips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 februari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.